Gitte is een grote Vikingvrouw. Ze werkt op een dagopvang voor ex-verslaafden in het centrum van Aalborg en haar appartementje ligt tegenover 'Busterminalen'. Omdat ik daar vandaan naar Nederland vertrek - en wel om zeven uur 's ochtends - slaap ik op de bank bij Gitte. Vanaf de stichting van de stad Aalborg, in de vroege Middeleeuwen, zijn hier verslaafden geweest en altijd hebben er een paar geprobeerd van hun kwaal af te komen. Vroeger natuurlijk middels de kerk en nu met hulp van stevige plaatselijke welzijnswerkers. Het is vrijdagavond en er is kerstfeest georganiseerd voor 'kunderne' zoals de bezoekers heten.
Lange tafels met gebak, zoute en hartige smørrebrød - maar geen schnaps en geen bier... Gitte zegt stralend dat ieder jaar weer blijkt hoe leuk je het kan hebben zonder alcohol.
In Denemarken, in december! Leuk, zonder drank.....een opmerkelijke observatie.
Om half zeven sta ik, na een korte nacht, bij de bussen. Een grote groep lachende en rokende Roemenen wachten tussen een onafzienbare rij koffers, tassen, gepropte vuilniszakken en een paar kartonnen dozen met touwtjes er omheen. Gaan ze ook met de Eurolines?
Nee, we hebben onze eigen bus.
Nu zie ik dat ieder bus-perron een eigen bordje heeft. Voor Polen. Voor Roemenië. En voor Hamburg, waar ik heen moet.
Het is half acht. De bus glijdt door de donkere nacht tussen Aalborg en Aarhus. Alle stoelen zijn bijna bezet en er is kennelijk overgeboekt. Naast de chauffeurs, twee Polen, zit een sip meisje op een bankje. Als er in Kolding iemand misschien niet op komt dagen, kan ze nog mee naar Hamburg. De dikke Polen zeggen het niet maar ik weet dat ze in het andere geval ook nog wel een plekje voor haar vrij maken. Ik reis al sinds 2002 met Eurolines. De grote vredestichter, denk ik. Want ook wie met achterdocht naar de vele, vele nationaliteiten tuurt die hier langs de route instappen, merkt vanzelf dat 'zij' net als 'wij' zijn. Met huilende kinderen, stijve ruggen en billen, en tassen vol eten. De Eurolinesbussen rijden lijndiensten en stoppen alleen om passagiers op te pikken, of, heel soms, tien minuten bij een pompstation. Dat geeft de grootste verbroedering. Iedereen moet naar de wc en het chemische hokje in de bus is al snel onsmakelijk. Zij en wij zijn een groot wij in de rij voor het toilet. De donkere mannen laten hoffelijk de dames voor gaan. En dan haast iedereen zich weer naar het geluid van de zacht ronkende, schaars verlichte bus.
Rond half negen begint het te schemeren. We zijn Aarhus voorbij en rijden langs het meer van Skanderborg. Nevels zwermen over het grijze wateroppervlak, in de verte steken de contouren van lage heuvels af in een lichter grijs. Uit een vroege kajak draait iemand zijn peddels omhoog als een zwart signaal. Geheimzinnig silhouet in deze winterochtend, die langzaam, heel langzaam net geen echte dag zal worden.
Na Kolding, niet ver van de Duitse grens, is de bus zo vol dat de chauffeurs hun tassen en drinkwaar onder de stoelen hebben geschoven. Er wordt ijverig geslapen. Ik hoor zacht praten achter me. Is het Chinees of Japans? De spreker heeft een buitengewoon slechte adem, die met de airco mee mijn kant op zweeft.
In Hamburg wacht de aansluiting; iedereen voor Amsterdam en Londen met overstappen, voor Parijs en Brussel ook. De Polen roepen hun onverstaanbare informatie om, dan zijn ze vrij en sloffen naar het kantoor. Wij draaien even later de grote weg naar Bremen op. Nog zes en een half uur. Deze bus is mij zeer sympathiek. Veilig, goedkoop, milieuvriendelijk. Maar je moet wel de tijd hebben...
donderdag 24 december 2015
maandag 14 december 2015
Winter in Vesløs
Vesløs Vejle aan de andere kant van de weg is helemaal ondergelopen door de vele regenbuien van de laatste maanden. Mijn huis heeft nu uitzicht op het water; dunne stammetjes en magere graspollen steken er net bovenuit hier en daar, als het gaat vriezen zal het een fantastisch gezicht zijn. Bij heldere hemel is de enorme plas hardblauw. Duizenden ganzen liggen als lichtbruine vlekjes op een eilandje in de verte. Af en toe draaien ze hun rondes boven de Vejle, luid gakkend, misschien om hun fellow travellers te informeren waar ze bivak hebben gemaakt.
Eigenlijk is dit geen winter, het is eerder stormseizoen. Ongeveer iedere week waait het een paar etmalen zo hard dat de stranden aan de west- en noordkust worden opgevreten en de beken in de stadjes overstromen. Alles loopt onder. En de eigenaren van de ooit allerduurste vakantiehuizen met zeezicht vrezen dat hun villa's binnenkort in de golven verdwijnen. Zo vreemd: als kind droomde ik dat het zeewater tot aan ons huis kwam - het mooie Havhus op een duin bij Henne Strand stond er slecht voor. Soms was de droom helemaal absurd en sloegen de golven tegen de voordeur van het woonhuis in Amsterdam.
Nu gebeuren die dingen echt. En de regeringsleiders zetten onder applaus hun handtekening op pakken papier. Papier is geduldig maar kan wel makkelijk nat worden.
Bij de op een na laatste storm, Gorm, (ze krijgen namen op alfabetische volgorde, de laatste heette Helga) woei een stuk van het plastic dak boven mijn houtvoorraad kapot. Meer dan de helft was nat geworden en de onderste lagen bleven vochtig. Dat is een kleine ramp: het hout gaat roeten in plaats van branden. Gelukkig kwam een vriend met een lading droog hout in de achterbak van zijn 25 jaar oude auto. Dit is een dorp en we helpen elkaar. Tot nu toe heb ik meer hulp ontvangen dan gegeven maar na nieuwjaar zou dat wel eens kunnen veranderen. In het vorig jaar gesloten verzorgingshuis wonen nu ruim honderd vluchtelingen, de meeste uit Syrië, een paar uit Congo. Dat is veel voor een dorp van 350 inwoners. Tot nu toe gaat het goed, erg goed zelfs als je het vergelijkt met de harde lijn van de Deense regering. Ik hoorde van een paar dorpsgenoten dat ze het niet zagen zitten. Maar geprotesteerd heeft niemand.
Als ik naar de rotonde fiets, waar de brugsen ligt, de supermarkt, zie ik vaak een zwarte jongen met een dikke muts op langs de weg rennen. Na een paar keer begonnen we te zwaaien. Een joggende Congolees in het uiterste noordwesten van Europa.
Eigenlijk is dit geen winter, het is eerder stormseizoen. Ongeveer iedere week waait het een paar etmalen zo hard dat de stranden aan de west- en noordkust worden opgevreten en de beken in de stadjes overstromen. Alles loopt onder. En de eigenaren van de ooit allerduurste vakantiehuizen met zeezicht vrezen dat hun villa's binnenkort in de golven verdwijnen. Zo vreemd: als kind droomde ik dat het zeewater tot aan ons huis kwam - het mooie Havhus op een duin bij Henne Strand stond er slecht voor. Soms was de droom helemaal absurd en sloegen de golven tegen de voordeur van het woonhuis in Amsterdam.
Nu gebeuren die dingen echt. En de regeringsleiders zetten onder applaus hun handtekening op pakken papier. Papier is geduldig maar kan wel makkelijk nat worden.
Bij de op een na laatste storm, Gorm, (ze krijgen namen op alfabetische volgorde, de laatste heette Helga) woei een stuk van het plastic dak boven mijn houtvoorraad kapot. Meer dan de helft was nat geworden en de onderste lagen bleven vochtig. Dat is een kleine ramp: het hout gaat roeten in plaats van branden. Gelukkig kwam een vriend met een lading droog hout in de achterbak van zijn 25 jaar oude auto. Dit is een dorp en we helpen elkaar. Tot nu toe heb ik meer hulp ontvangen dan gegeven maar na nieuwjaar zou dat wel eens kunnen veranderen. In het vorig jaar gesloten verzorgingshuis wonen nu ruim honderd vluchtelingen, de meeste uit Syrië, een paar uit Congo. Dat is veel voor een dorp van 350 inwoners. Tot nu toe gaat het goed, erg goed zelfs als je het vergelijkt met de harde lijn van de Deense regering. Ik hoorde van een paar dorpsgenoten dat ze het niet zagen zitten. Maar geprotesteerd heeft niemand.
Als ik naar de rotonde fiets, waar de brugsen ligt, de supermarkt, zie ik vaak een zwarte jongen met een dikke muts op langs de weg rennen. Na een paar keer begonnen we te zwaaien. Een joggende Congolees in het uiterste noordwesten van Europa.
dinsdag 14 oktober 2014
Randloze wolken
In Nederland
hebben de wolken geen randen. Polderwolken zijn het, waterige compromissen
zonder afgrenzing. Ik heb nu een week achtereen iedere dag de hemel bestudeerd
en natuurlijk mistige, heiige dagen vergeleken met heldere; uiteraard heb ik
getuurd op verschillende tijdstippen en de subjectieve factor, mijn eigen
stemming, van de observatie afgetrokken. Ook in de meest ideale omstandigheden
is het een en al pluis, watten, losse eindjes. Het viel me meteen al op toen we
na een maand op het land, in de meest noordwestelijke streek van Jutland, waar
de wolkenpartijen een groots schouwspel vormen van cumuli, fabeldieren en
lustvolle grillen in de meest fantastische kleuren, met hangend hoofd in de
file bij Amersfoort stonden en alle tijd hadden om naar buiten te kijken.
Opeens zag
ik het.
Geen randen.
Is dat het
verschil, dacht ik. Is alles waar ik me gedurende 62 jaar het hoofd over heb
gebroken: wát is toch het verschil? Waarom ben ik in Denemarken ‘echt’ en besta
ik hier ‘op papier’. Waarom hoef ik in Denemarken niet te schrijven, kan ik
volstaan met er gewoon te zijn, en is hier de omweg nodig van een scherp
afgetekende witte rand tegen een tafelblad?
Chris van Geel vertaald
Met zijn natuurgebonden taal is Chris van Geel verwant aan de Deense lyriek en nodigt daarom uit tot vertalen.
'Tågen følger med mig, vinden løber mig i forvejen
det mindste træ står og affinder sig,
at ha' glemt hvad jeg plejede at glemme er
ikke umagen værd, alligevel er
dette hvad jeg ejer, hvad omslutter mig og ejede mig.'
De mist loopt met me op, de wind loopt mij vooruit... in elf woorden glijdt heimwee - naar de mist boven het veld en de wind aan de fjord - mijn hart in.
John Donne schreef over een verre geliefde:
Afwezigheid, hoor mijn bezwaar
tegen uw kracht, afstand en duur.
Het ging over een vrouw maar mijn afwezigheid is het ruime, lichte moederland.
'Tågen følger med mig, vinden løber mig i forvejen
det mindste træ står og affinder sig,
at ha' glemt hvad jeg plejede at glemme er
ikke umagen værd, alligevel er
dette hvad jeg ejer, hvad omslutter mig og ejede mig.'
De mist loopt met me op, de wind loopt mij vooruit... in elf woorden glijdt heimwee - naar de mist boven het veld en de wind aan de fjord - mijn hart in.
John Donne schreef over een verre geliefde:
Afwezigheid, hoor mijn bezwaar
tegen uw kracht, afstand en duur.
Het ging over een vrouw maar mijn afwezigheid is het ruime, lichte moederland.
donderdag 29 mei 2014
Inzoomen op Febbersted
Nadat ruimtevaarder Wubbo Ockels gestorven was werd zijn dochter geïnterviewd. Op de vraag wat voor haar vader de grootste ervaring op zijn ruimtereizen was geweest antwoordde ze: het zien van de ronde, blauwe, kwetsbare aarde en het sterke besef dat we er verantwoordelijk voor zijn.
Ik stel me een ruimte-telelens voor die inzoomt op Febbersted Kløft, een holle weg tussen twee hoge duinen iets ten oosten van het havenplaatsje Hanstholm. Na de IJstijd lag de zeespiegel door al het smeltwater twintig tot dertig meter hoger dan nu. De zee golfde rond een langgerekt eiland dat Hanstholmen heette. 'Holm' betekent oorspronkelijk ook eiland. Geleidelijk aan heeft de zeeoever zich teruggetrokken en een 'skrænt' gevormd, een steile hoogte die boven het strand hangt.
Er groeien wat struiken en een enkel boompje, er grazen koeien en schapen en een bofkont heeft zijn oorspronkelijke huisje gesloopt en er een droomhuis met grote ramen gebouwd, recht voor een driedimensionaal zeezicht. Er mag verder niets gebouwd worden - een wet die hier al sinds onheuglijke tijden geldt. Dat verklaart de opvallende afwezigheid van strandtenten, koffiepunten, ijscokarren en andere mens-aantrekkende elementen. Mijn Nederlandse vriendinnen klagen hier wel eens over. Na een uur wandelen kom je aan het strand: een lege zandvlakte met allerlei spannende stenen, algen, schelpen en vreemde groeisels, waar de vogels rust en ruimte krijgen. Hè, nu lekker een terrasje! Maar nee. Wie koffie wil moet het zelf meenemen, in een thermosfles. En wie wil zitten kan in een duinpan plaats nemen of moet een klapstoel sjouwen.
Kan een mens nog genieten van de natuur zónder terrasje? Moet er dan altijd aan het eind van de middag een pannenkoekenhuis oprijzen? Wat hebben we eigenlijk nodig om compleet welbehagen te voelen?
Mijn partner kreeg van een oude kennis een overtollig geworden 'melkopschuimer'. Wij waren tot dan toe altijd gewend om met een garde in een steelpannetje de melk op te warmen en schuimend te kloppen. Maar nu verscheen ons na een minuut een dikke, stijfgeklopte laag échte cappucino-melk, waar je cacaopoeder of kaneel op kon strooien. Het smaakte geweldig!
Hij bood aan om me dit wonderinstrument mee te geven naar Denemarken, om ook hier het toppunt van koffiebeleving te ervaren. Later kreeg hij spijt en merkte op dat het 'vast veel te zwaar is voor in je koffer'. Dat was wel heel doorzichtig; ik begreep dat hij inmiddels niet zonder kon en besloot er zelf een aan te schaffen. Dromerig stond ik een dag later bij de melkopschuimerschappen van een grote firma. En opeens begreep ik hoe ons behoeften worden aangeleerd die we daarvoor nooit hadden. En ik voelde - in een lichtend ogenblik van boosheid en verzet - dat ik die melkopschuimer bij nader inzien niet wilde kopen. Kom op zeg, een paar weken geleden wist ik niet eens dat zoiets bestond.
Mijn partner had een beetje spijt van zijn spijt en gaf het ding toch mee. Hij komt ook deze kant op; over een dikke week doen we weer samen met één schuimer. Wubbo's ontroering en de ongerepte kust van Hanstholm geven me dagelijks het besef dat de geneugten van de consumptiedwang groot zijn, maar niet tegen Febbersted Kløft op kunnen.
Ik stel me een ruimte-telelens voor die inzoomt op Febbersted Kløft, een holle weg tussen twee hoge duinen iets ten oosten van het havenplaatsje Hanstholm. Na de IJstijd lag de zeespiegel door al het smeltwater twintig tot dertig meter hoger dan nu. De zee golfde rond een langgerekt eiland dat Hanstholmen heette. 'Holm' betekent oorspronkelijk ook eiland. Geleidelijk aan heeft de zeeoever zich teruggetrokken en een 'skrænt' gevormd, een steile hoogte die boven het strand hangt.
Er groeien wat struiken en een enkel boompje, er grazen koeien en schapen en een bofkont heeft zijn oorspronkelijke huisje gesloopt en er een droomhuis met grote ramen gebouwd, recht voor een driedimensionaal zeezicht. Er mag verder niets gebouwd worden - een wet die hier al sinds onheuglijke tijden geldt. Dat verklaart de opvallende afwezigheid van strandtenten, koffiepunten, ijscokarren en andere mens-aantrekkende elementen. Mijn Nederlandse vriendinnen klagen hier wel eens over. Na een uur wandelen kom je aan het strand: een lege zandvlakte met allerlei spannende stenen, algen, schelpen en vreemde groeisels, waar de vogels rust en ruimte krijgen. Hè, nu lekker een terrasje! Maar nee. Wie koffie wil moet het zelf meenemen, in een thermosfles. En wie wil zitten kan in een duinpan plaats nemen of moet een klapstoel sjouwen.
Kan een mens nog genieten van de natuur zónder terrasje? Moet er dan altijd aan het eind van de middag een pannenkoekenhuis oprijzen? Wat hebben we eigenlijk nodig om compleet welbehagen te voelen?
Mijn partner kreeg van een oude kennis een overtollig geworden 'melkopschuimer'. Wij waren tot dan toe altijd gewend om met een garde in een steelpannetje de melk op te warmen en schuimend te kloppen. Maar nu verscheen ons na een minuut een dikke, stijfgeklopte laag échte cappucino-melk, waar je cacaopoeder of kaneel op kon strooien. Het smaakte geweldig!
Hij bood aan om me dit wonderinstrument mee te geven naar Denemarken, om ook hier het toppunt van koffiebeleving te ervaren. Later kreeg hij spijt en merkte op dat het 'vast veel te zwaar is voor in je koffer'. Dat was wel heel doorzichtig; ik begreep dat hij inmiddels niet zonder kon en besloot er zelf een aan te schaffen. Dromerig stond ik een dag later bij de melkopschuimerschappen van een grote firma. En opeens begreep ik hoe ons behoeften worden aangeleerd die we daarvoor nooit hadden. En ik voelde - in een lichtend ogenblik van boosheid en verzet - dat ik die melkopschuimer bij nader inzien niet wilde kopen. Kom op zeg, een paar weken geleden wist ik niet eens dat zoiets bestond.
Mijn partner had een beetje spijt van zijn spijt en gaf het ding toch mee. Hij komt ook deze kant op; over een dikke week doen we weer samen met één schuimer. Wubbo's ontroering en de ongerepte kust van Hanstholm geven me dagelijks het besef dat de geneugten van de consumptiedwang groot zijn, maar niet tegen Febbersted Kløft op kunnen.
vrijdag 25 april 2014
Rijtjeshuis in uithoek
Het is een doodgewoon rijtjeshuis in een dorp vlakbij de noordwestelijke punt van Jylland. Had ook in Amsterdam Osdorp kunnen staan, zo'n tuindorpdroom met een woonkamer, een slaapkamer, een keuken en een badkamer. Voor- en achtertuin op postzegelformaat. Buurman links is een oudere heer, vijftig jaar geleden verhuisd naar Denemarken vanuit Hamburg, dat toen nog in puin lag. Hij is helemaal verdeenst, diepbruin van het zitten in zijn voortuin en vol lof over de sociale voorzieningen: pensioen, huursubsidie, gratis gezondheidszorg en de bushalte om de hoek. Aan de andere kant wonen al zes jaar diverse Polen, volgens buurman Horst in wisselende formaties. Momenteel een gezin: twee (hard) werkende ouders en een iets te dik dochtertje dat eindeloos blokjes fietst.
Huren in Ræhr; een kluit huisjes, tegen de helling van een eindmorene uit de ijstijd geplakt, met een 12e-eeuws kerkje, een allang gesloten kruidenierswinkel en wat sociale woningbouw uit 1980. Aan de overkant van de hoofdweg loopt een landweggetje naar de noordkust. Na twee kilometer gaat het over in een grindpad dat uitloopt in een kloof tussen twee enorme duinen. Het is de doorgang in de oude oever van wat ooit een eiland was. Boven het strand dat bezaaid is met hagelwitte kalkstenen verheft zich deze oer-oever als een hoogvlakte vanwaar je steil naar beneden kijkt. In beide richtingen loopt een wandelpad: links naar de haven van Hanstholm, rechts naar de badplaats Vigsø.
De zuidkant van Ræhr vormt de toegang tot Nationalpark Thy, een wildreservaat omringd door bossen, heide en duingebied tot aan de westkust. Doordat de zee aan twee kanten deze noordwestpunt omsluit is het licht hier wonderlijk fel en wit. In de verte staat de vuurtoren, al even wit, traditioneel gebouwd, zoals die uit Virginia Woolfs "To the Lighthouse"...
In de heuvels van het natuurpark liggen nog boerderijen die in bedrijf zijn. Gierwagens scheuren af en toe langs om elders de mest te verspreiden. Veel boeren hebben onbewerkte stukken land in bezit, uitsluitend om aan de quota te voldoen. In een meertje verderop zijn een paar arbeiders van een grindwinningsbedrijf de hele dag aan het baggeren. Met volgeladen vrachtwagens rijden ze zo nu en dan door het dorp.
Verder is het stil.
A.D. 2014 is stilte een bijna onbetaalbare luxe geworden, zo valt te lezen in weekendbijlages van kranten. Net als écht donkere nacht is échte stilte zeldzaam. Op een van onze zwerftochten langs de noordkust werden we aangesproken door de boswachter. Omdat er zo goed als nooit iemand daar rondloopt wilde hij even weten wie er door zijn gebied wandelde. Op ons enthousiaste relaas over de schoonheid van de duinmeren, de heide en de grijsblauwe zee die zich tot Noorwegen uitstrekt zei hij: dit is het meest verlaten gebied van heel Denemarken.
Laatst had ik een nachtmerrie over iemand die maar doorging en doorging met de volumeknop van diverse geluidsapparatuur harder te zetten. In mijn droom probeerde ik er bovenuit te schreeuwen, razend, wanhopig, machteloos. Hijgend en opgelucht werd ik wakker. Door het open raam van Irisvej 9 klonk alleen het zachte gefluit van een vroege vogel. Als ik het zigzaggende wandelpad naar het bos insla, "Ræhrstien", zijn na een paar minuten alleen nog vogels te horen: hoge alarmkreten van de kieviten, de wonderlijke minimal music van de leeuwerik en, aan de bosrand, het schrille gilletje van een buizerd. Verderop begint het ruisen van de eeuwige westenwind in de dennen.
Stilte is hier nooit doodse stilte. Het is meer een soort bescheidenheid waarin natuurlijke geluiden opeens hoorbaar worden. Tot je eigen ademhaling aan toe.
Huren in Ræhr; een kluit huisjes, tegen de helling van een eindmorene uit de ijstijd geplakt, met een 12e-eeuws kerkje, een allang gesloten kruidenierswinkel en wat sociale woningbouw uit 1980. Aan de overkant van de hoofdweg loopt een landweggetje naar de noordkust. Na twee kilometer gaat het over in een grindpad dat uitloopt in een kloof tussen twee enorme duinen. Het is de doorgang in de oude oever van wat ooit een eiland was. Boven het strand dat bezaaid is met hagelwitte kalkstenen verheft zich deze oer-oever als een hoogvlakte vanwaar je steil naar beneden kijkt. In beide richtingen loopt een wandelpad: links naar de haven van Hanstholm, rechts naar de badplaats Vigsø.
De zuidkant van Ræhr vormt de toegang tot Nationalpark Thy, een wildreservaat omringd door bossen, heide en duingebied tot aan de westkust. Doordat de zee aan twee kanten deze noordwestpunt omsluit is het licht hier wonderlijk fel en wit. In de verte staat de vuurtoren, al even wit, traditioneel gebouwd, zoals die uit Virginia Woolfs "To the Lighthouse"...
In de heuvels van het natuurpark liggen nog boerderijen die in bedrijf zijn. Gierwagens scheuren af en toe langs om elders de mest te verspreiden. Veel boeren hebben onbewerkte stukken land in bezit, uitsluitend om aan de quota te voldoen. In een meertje verderop zijn een paar arbeiders van een grindwinningsbedrijf de hele dag aan het baggeren. Met volgeladen vrachtwagens rijden ze zo nu en dan door het dorp.
Verder is het stil.
A.D. 2014 is stilte een bijna onbetaalbare luxe geworden, zo valt te lezen in weekendbijlages van kranten. Net als écht donkere nacht is échte stilte zeldzaam. Op een van onze zwerftochten langs de noordkust werden we aangesproken door de boswachter. Omdat er zo goed als nooit iemand daar rondloopt wilde hij even weten wie er door zijn gebied wandelde. Op ons enthousiaste relaas over de schoonheid van de duinmeren, de heide en de grijsblauwe zee die zich tot Noorwegen uitstrekt zei hij: dit is het meest verlaten gebied van heel Denemarken.
Laatst had ik een nachtmerrie over iemand die maar doorging en doorging met de volumeknop van diverse geluidsapparatuur harder te zetten. In mijn droom probeerde ik er bovenuit te schreeuwen, razend, wanhopig, machteloos. Hijgend en opgelucht werd ik wakker. Door het open raam van Irisvej 9 klonk alleen het zachte gefluit van een vroege vogel. Als ik het zigzaggende wandelpad naar het bos insla, "Ræhrstien", zijn na een paar minuten alleen nog vogels te horen: hoge alarmkreten van de kieviten, de wonderlijke minimal music van de leeuwerik en, aan de bosrand, het schrille gilletje van een buizerd. Verderop begint het ruisen van de eeuwige westenwind in de dennen.
Stilte is hier nooit doodse stilte. Het is meer een soort bescheidenheid waarin natuurlijke geluiden opeens hoorbaar worden. Tot je eigen ademhaling aan toe.
donderdag 24 april 2014
Een Deense Slauerhoff
Hij heette Henrik Stangerup. Een wat angstig, onhandig jongetje dat ondanks zijn goede verstand altijd met slechte rapporten thuiskwam. Nu zou hij misschien wel naar het speciaal onderwijs zijn verwezen. Altijd was hij op zijn hoede voor "de vijanden" en altijd raakte hij in moeilijkheden. Zijn vader, een bekend literatuurwetenschapper van het aartsconservatieve soort, die tijdens de oorlog een keer een 'onhandig' - nazivriendelijk? - artikel had geschreven, had namelijk veel vijanden. De ouders fluisterden er samen over en als de kinderen, Hanrik en zijn al even begaafde zusje Helle, iets dreigden op te vangen werd er overgeschakeld op Frans.
"Attention, les enfants" zeiden de ouders dan tegen elkaar.
Op het gymnasium las de leraar Deens tijdens een les voor uit een bijzondere roman. "Det forsømte forår" van de communist Hans Scherfig. Het was een sleutelroman. Henriks vader, Hakon Stangerup, had model gestaan voor een van de hoofdpersonen, een uiterst rechtse, volstrekt belachelijke literatuurprofessor genaamd Harald Horn. De hele klas wist wie er mee bedoeld werd, behalve Henrik zelf. Het hoongelach werd een keerpunt in zijn leven. Hij zou ze wel even iets laten zien. Vol haat jegens het burgerlijke Denemarken schreef hij, eerst als journalist, later als romanschrijver, over de zonnige wereld rond de Middellandse Zee, waar mensen nog menselijk zijn. Waar niet ergens in de 16e eeuw een dogmatisch protestantisme de bevolking had ondergedompeld in schuldgevoel, angst en weggestopte emoties. Zelf woonde hij jaren in Parijs, waar ook enkele van zijn romans zich afspelen.
Weg uit de bekrompenheid, groeien en bloeien in een andere, inspirerende omgeving. Een Deen met een Slauerhoff-syndroom. Maar ja, je neemt jezelf mee. "Nissen flytter med" zeggen ze hier, de (boze) kabouter verhuist met je mee. Evenals zijn hoofdpersonen leed Stangerup aan heimwee. Met de andere Deense journalisten en schrijvers bracht hij avonden en nachten door in Parijse cafés om te praten over "thuis": het diep gehate artistieke wereldje in Kopenhagen. De verachte uitgevers en galeriehouders die het genie niet zagen van hun hongerige aspirant-kunstenaars.
Uiteindelijk leek het succes binnen handbereik. Met een ruime subsidie vertrok hij naar Brazilië om het beroemdste stuk van Ludwig Holberg - de Deense Molière - te verfilmen. "Erasmus Montanus", over de geestelijke ondergang van een doorgeleerde jongeman, gespeeld door Braziliaanse acteurs. Al voor de première in Kopenhagen werd bekend dat de filmploeg in het dorp aan zee in Bahia nogal wat subsidiegeld had besteed aan uitgaan. Drank, drugs en lekkere wijven, kortom. Denemarken was te klein. Stangerup en zijn film werden uitgekotst. Hoe hij het waagde, van ons belastinggeld!
De deconfiture van zijn romanpersonages bleek een voorafspiegeling van zijn eigen einde. Volstrekt verwaarloosd stierf Henrik Stangerup in een wrak huisje op het eiland Møn aan overmatig alcoholgebruik. Zijn boeken worden niet veel meer gelezen, in tegenstelling tot die van zus Helle, die goede, ietwat brave historische romans schrijft. Helaas is hij niet vertaald in het Nederlands. Hopelijk komt het er ooit van.
"Attention, les enfants" zeiden de ouders dan tegen elkaar.
Op het gymnasium las de leraar Deens tijdens een les voor uit een bijzondere roman. "Det forsømte forår" van de communist Hans Scherfig. Het was een sleutelroman. Henriks vader, Hakon Stangerup, had model gestaan voor een van de hoofdpersonen, een uiterst rechtse, volstrekt belachelijke literatuurprofessor genaamd Harald Horn. De hele klas wist wie er mee bedoeld werd, behalve Henrik zelf. Het hoongelach werd een keerpunt in zijn leven. Hij zou ze wel even iets laten zien. Vol haat jegens het burgerlijke Denemarken schreef hij, eerst als journalist, later als romanschrijver, over de zonnige wereld rond de Middellandse Zee, waar mensen nog menselijk zijn. Waar niet ergens in de 16e eeuw een dogmatisch protestantisme de bevolking had ondergedompeld in schuldgevoel, angst en weggestopte emoties. Zelf woonde hij jaren in Parijs, waar ook enkele van zijn romans zich afspelen.
Weg uit de bekrompenheid, groeien en bloeien in een andere, inspirerende omgeving. Een Deen met een Slauerhoff-syndroom. Maar ja, je neemt jezelf mee. "Nissen flytter med" zeggen ze hier, de (boze) kabouter verhuist met je mee. Evenals zijn hoofdpersonen leed Stangerup aan heimwee. Met de andere Deense journalisten en schrijvers bracht hij avonden en nachten door in Parijse cafés om te praten over "thuis": het diep gehate artistieke wereldje in Kopenhagen. De verachte uitgevers en galeriehouders die het genie niet zagen van hun hongerige aspirant-kunstenaars.
Uiteindelijk leek het succes binnen handbereik. Met een ruime subsidie vertrok hij naar Brazilië om het beroemdste stuk van Ludwig Holberg - de Deense Molière - te verfilmen. "Erasmus Montanus", over de geestelijke ondergang van een doorgeleerde jongeman, gespeeld door Braziliaanse acteurs. Al voor de première in Kopenhagen werd bekend dat de filmploeg in het dorp aan zee in Bahia nogal wat subsidiegeld had besteed aan uitgaan. Drank, drugs en lekkere wijven, kortom. Denemarken was te klein. Stangerup en zijn film werden uitgekotst. Hoe hij het waagde, van ons belastinggeld!
De deconfiture van zijn romanpersonages bleek een voorafspiegeling van zijn eigen einde. Volstrekt verwaarloosd stierf Henrik Stangerup in een wrak huisje op het eiland Møn aan overmatig alcoholgebruik. Zijn boeken worden niet veel meer gelezen, in tegenstelling tot die van zus Helle, die goede, ietwat brave historische romans schrijft. Helaas is hij niet vertaald in het Nederlands. Hopelijk komt het er ooit van.
Abonneren op:
Posts (Atom)
