dinsdag 14 oktober 2014

Randloze wolken




In Nederland hebben de wolken geen randen. Polderwolken zijn het, waterige compromissen zonder afgrenzing. Ik heb nu een week achtereen iedere dag de hemel bestudeerd en natuurlijk mistige, heiige dagen vergeleken met heldere; uiteraard heb ik getuurd op verschillende tijdstippen en de subjectieve factor, mijn eigen stemming, van de observatie afgetrokken. Ook in de meest ideale omstandigheden is het een en al pluis, watten, losse eindjes. Het viel me meteen al op toen we na een maand op het land, in de meest noordwestelijke streek van Jutland, waar de wolkenpartijen een groots schouwspel vormen van cumuli, fabeldieren en lustvolle grillen in de meest fantastische kleuren, met hangend hoofd in de file bij Amersfoort stonden en alle tijd hadden om naar buiten te kijken.
Opeens zag ik het.
Geen randen.
Is dat het verschil, dacht ik. Is alles waar ik me gedurende 62 jaar het hoofd over heb gebroken: wát is toch het verschil? Waarom ben ik in Denemarken ‘echt’ en besta ik hier ‘op papier’. Waarom hoef ik in Denemarken niet te schrijven, kan ik volstaan met er gewoon te zijn, en is hier de omweg nodig van een scherp afgetekende witte rand tegen een tafelblad?

Chris van Geel vertaald

Met zijn natuurgebonden taal is Chris van Geel verwant aan de Deense lyriek en nodigt daarom uit tot vertalen.

'Tågen følger med mig, vinden løber mig i forvejen
det mindste træ står og affinder sig,
at ha' glemt hvad jeg plejede at glemme er
ikke umagen værd, alligevel er
dette hvad jeg ejer, hvad omslutter mig og ejede mig.'

De mist loopt met me op, de wind loopt mij vooruit... in elf woorden glijdt heimwee - naar de mist boven het veld en de wind aan de fjord - mijn hart in.
John Donne schreef over een verre geliefde:
Afwezigheid, hoor mijn bezwaar
tegen uw kracht, afstand en duur.

Het ging over een vrouw maar mijn afwezigheid is het ruime, lichte moederland.

donderdag 29 mei 2014

Inzoomen op Febbersted

Nadat ruimtevaarder Wubbo Ockels gestorven was werd zijn dochter geïnterviewd. Op de vraag wat voor haar vader de grootste ervaring op zijn ruimtereizen was geweest antwoordde ze: het zien van de ronde, blauwe, kwetsbare aarde en het sterke besef dat we er verantwoordelijk voor zijn.
Ik stel me een ruimte-telelens voor die inzoomt op Febbersted Kløft, een holle weg tussen twee hoge duinen iets ten oosten van het havenplaatsje Hanstholm. Na de IJstijd lag de zeespiegel door al het smeltwater twintig tot dertig meter hoger dan nu. De zee golfde rond een langgerekt eiland dat Hanstholmen heette. 'Holm' betekent oorspronkelijk ook eiland. Geleidelijk aan heeft de zeeoever zich teruggetrokken en een 'skrænt' gevormd, een steile hoogte die boven het strand hangt.
Er groeien wat struiken en een enkel boompje, er grazen koeien en schapen en een bofkont heeft zijn oorspronkelijke huisje gesloopt en er een droomhuis met grote ramen gebouwd, recht voor een driedimensionaal zeezicht. Er mag verder niets gebouwd worden - een wet die hier al sinds onheuglijke tijden geldt. Dat verklaart de opvallende afwezigheid van strandtenten, koffiepunten, ijscokarren en andere mens-aantrekkende elementen. Mijn Nederlandse vriendinnen klagen hier wel eens over. Na een uur wandelen kom je aan het strand: een lege zandvlakte met allerlei spannende stenen, algen, schelpen en vreemde groeisels, waar de vogels rust en ruimte krijgen. Hè, nu lekker een terrasje! Maar nee. Wie koffie wil moet het zelf meenemen, in een thermosfles. En wie wil zitten kan in een duinpan plaats nemen of moet een klapstoel sjouwen.

Kan een mens nog genieten van de natuur zónder terrasje? Moet er dan altijd aan het eind van de middag een pannenkoekenhuis oprijzen? Wat hebben we eigenlijk nodig om compleet welbehagen te voelen?
Mijn partner kreeg van een oude kennis een overtollig geworden 'melkopschuimer'. Wij waren tot dan toe altijd gewend om met een garde in een steelpannetje de melk op te warmen en schuimend te kloppen. Maar nu verscheen ons na een minuut een dikke, stijfgeklopte laag échte cappucino-melk, waar je cacaopoeder of kaneel op kon strooien. Het smaakte geweldig!
Hij bood aan om me dit wonderinstrument mee te geven naar Denemarken, om ook hier het toppunt van koffiebeleving te ervaren. Later kreeg hij spijt en merkte op dat het 'vast veel te zwaar is voor in je koffer'. Dat was wel heel doorzichtig; ik begreep dat hij inmiddels niet zonder kon en besloot er zelf een aan te schaffen. Dromerig stond ik een dag later bij de melkopschuimerschappen van een grote firma. En opeens begreep ik hoe ons behoeften worden aangeleerd die we daarvoor nooit hadden. En ik voelde - in een lichtend ogenblik van boosheid en verzet - dat ik die melkopschuimer bij nader inzien niet wilde kopen. Kom op zeg, een paar weken geleden wist ik niet eens dat zoiets bestond.
Mijn partner had een beetje spijt van zijn spijt en gaf het ding toch mee. Hij komt ook deze kant op; over een dikke week doen we weer samen met één schuimer. Wubbo's ontroering en de ongerepte kust van Hanstholm geven me dagelijks het besef dat de geneugten van de consumptiedwang groot zijn, maar niet tegen Febbersted Kløft op kunnen.

vrijdag 25 april 2014

Rijtjeshuis in uithoek

Het is een doodgewoon rijtjeshuis in een dorp vlakbij de noordwestelijke punt van Jylland. Had ook in Amsterdam Osdorp kunnen staan, zo'n tuindorpdroom met een woonkamer, een slaapkamer, een keuken en een badkamer. Voor- en achtertuin op postzegelformaat. Buurman links is een oudere heer, vijftig jaar geleden verhuisd naar Denemarken vanuit Hamburg, dat toen nog in puin lag. Hij is helemaal verdeenst, diepbruin van het zitten in zijn voortuin en vol lof over de sociale voorzieningen: pensioen, huursubsidie, gratis gezondheidszorg en de bushalte om de hoek. Aan de andere kant wonen al zes jaar diverse Polen, volgens buurman Horst in wisselende formaties. Momenteel een gezin: twee (hard) werkende ouders en een iets te dik dochtertje dat eindeloos blokjes fietst.

Huren in Ræhr; een kluit huisjes, tegen de helling van een eindmorene uit de ijstijd geplakt, met een 12e-eeuws kerkje, een allang gesloten kruidenierswinkel en wat sociale woningbouw uit 1980. Aan de overkant van de hoofdweg loopt een landweggetje naar de noordkust. Na twee kilometer gaat het over in een grindpad dat uitloopt in een kloof tussen twee enorme duinen. Het is de doorgang in de oude oever van wat ooit een eiland was. Boven het strand dat bezaaid is met hagelwitte kalkstenen verheft zich deze oer-oever als een hoogvlakte vanwaar je steil naar beneden kijkt. In beide richtingen loopt een wandelpad: links naar de haven van Hanstholm, rechts naar de badplaats Vigsø.
De zuidkant van Ræhr vormt de toegang tot Nationalpark Thy, een wildreservaat omringd door bossen, heide en duingebied tot aan de westkust. Doordat de zee aan twee kanten deze noordwestpunt omsluit is het licht hier wonderlijk fel en wit. In de verte staat de vuurtoren, al even wit, traditioneel gebouwd, zoals die uit Virginia Woolfs "To the Lighthouse"...
 In de heuvels van het natuurpark liggen nog boerderijen die in bedrijf zijn. Gierwagens scheuren af en toe langs om elders de mest te verspreiden. Veel boeren hebben onbewerkte stukken land in bezit, uitsluitend om aan de quota te voldoen. In een meertje verderop zijn een paar arbeiders van een grindwinningsbedrijf de hele dag aan het baggeren. Met volgeladen vrachtwagens rijden ze zo nu en dan door het dorp.

Verder is het stil.
A.D. 2014 is stilte een bijna onbetaalbare luxe geworden, zo valt te lezen in weekendbijlages van kranten. Net als écht donkere nacht is échte stilte zeldzaam. Op een van onze zwerftochten langs de noordkust werden we aangesproken door de boswachter. Omdat er zo goed als nooit iemand daar rondloopt wilde hij even weten wie er door zijn gebied wandelde. Op ons enthousiaste relaas over de schoonheid van de duinmeren, de heide en de grijsblauwe zee die zich tot Noorwegen uitstrekt zei hij: dit is het meest verlaten gebied van heel Denemarken.
Laatst had ik een nachtmerrie over iemand die maar doorging en doorging met de volumeknop van diverse geluidsapparatuur harder te zetten. In mijn droom probeerde ik er bovenuit te schreeuwen, razend, wanhopig, machteloos. Hijgend en opgelucht werd ik wakker. Door het open raam van Irisvej 9 klonk alleen het zachte gefluit van een vroege vogel. Als ik het zigzaggende wandelpad naar het bos insla, "Ræhrstien", zijn na een paar minuten alleen nog vogels te horen: hoge alarmkreten van de kieviten, de wonderlijke minimal music van de leeuwerik en, aan de bosrand, het schrille gilletje van een buizerd. Verderop begint het ruisen van de eeuwige westenwind in de dennen.
Stilte is hier nooit doodse stilte. Het is meer een soort bescheidenheid waarin natuurlijke geluiden opeens hoorbaar worden. Tot je eigen ademhaling aan toe.



donderdag 24 april 2014

Een Deense Slauerhoff

Hij heette Henrik Stangerup. Een wat angstig, onhandig jongetje dat ondanks zijn goede verstand altijd met slechte rapporten thuiskwam. Nu zou hij misschien wel naar het speciaal onderwijs zijn verwezen. Altijd was hij op zijn hoede voor "de vijanden" en altijd raakte hij in moeilijkheden. Zijn vader, een bekend literatuurwetenschapper van het aartsconservatieve soort, die tijdens de oorlog een keer een 'onhandig' - nazivriendelijk? - artikel had geschreven, had namelijk veel vijanden. De ouders fluisterden er samen over en als de kinderen, Hanrik en zijn al even begaafde zusje Helle, iets dreigden op te vangen werd er overgeschakeld op Frans.
"Attention, les enfants" zeiden de ouders dan tegen elkaar.

Op het gymnasium las de leraar Deens tijdens een les voor uit een bijzondere roman. "Det forsømte forår"  van de communist Hans Scherfig. Het was een sleutelroman. Henriks vader, Hakon Stangerup, had model gestaan voor een van de hoofdpersonen, een uiterst rechtse, volstrekt belachelijke literatuurprofessor genaamd Harald Horn. De hele klas wist wie er mee bedoeld werd, behalve Henrik zelf. Het hoongelach werd een keerpunt in zijn leven. Hij zou ze wel even iets laten zien. Vol haat jegens het burgerlijke Denemarken schreef hij, eerst als journalist, later als romanschrijver, over de zonnige wereld  rond de Middellandse Zee, waar mensen nog menselijk zijn. Waar niet ergens in de 16e eeuw een dogmatisch protestantisme de bevolking had ondergedompeld in schuldgevoel, angst en weggestopte emoties. Zelf woonde hij jaren in Parijs, waar ook enkele van zijn romans zich afspelen.

Weg uit de bekrompenheid, groeien en bloeien in een andere, inspirerende omgeving. Een Deen met een Slauerhoff-syndroom. Maar ja, je neemt jezelf mee. "Nissen flytter med" zeggen ze hier, de (boze) kabouter verhuist met je mee. Evenals zijn hoofdpersonen leed Stangerup aan heimwee. Met de andere Deense journalisten en schrijvers bracht hij avonden en nachten door in Parijse cafés om te praten over "thuis": het diep gehate artistieke wereldje in Kopenhagen. De verachte uitgevers en galeriehouders die het genie niet zagen van hun hongerige aspirant-kunstenaars.
Uiteindelijk leek het succes binnen handbereik. Met een ruime subsidie vertrok hij naar Brazilië om het beroemdste stuk van Ludwig Holberg - de Deense Molière - te verfilmen. "Erasmus Montanus", over de geestelijke ondergang van een doorgeleerde jongeman, gespeeld door Braziliaanse acteurs. Al voor de première in Kopenhagen werd bekend dat de filmploeg in het dorp aan zee in Bahia nogal wat subsidiegeld had besteed aan uitgaan. Drank, drugs en lekkere wijven, kortom. Denemarken was te klein. Stangerup en zijn film werden uitgekotst. Hoe hij het waagde, van ons belastinggeld!

De deconfiture van zijn romanpersonages bleek een voorafspiegeling van zijn eigen einde. Volstrekt verwaarloosd stierf Henrik Stangerup in een wrak huisje op het eiland Møn aan overmatig alcoholgebruik. Zijn boeken worden niet veel meer gelezen, in tegenstelling tot die van zus Helle, die goede, ietwat brave historische romans schrijft. Helaas is hij niet vertaald in het Nederlands. Hopelijk komt het er ooit van.

donderdag 6 maart 2014

Remigratie - een cirkel sluiten?

Vanavond hebben we weer 'læseklub' , mijn Deense vriendinnen en ik. We bespreken 'Skibsdrengens Fortælling' van Karen Blixen. Het verhaal van de scheepsjongen.
Hij is nog een jong broekje als hij in de grote mast klimt om een jachtvalk te bevrijden uit een knoop in de lijn die een dodelijke strik om zijn vleugels is geworden. De vogel kijkt hem aan 'met zijn razende gele ogen' en pikt hem in zijn duim. Bijna valt hij uit de mast. Dan slaagt hij erin het dier onder zijn ene arm te nemen en naar beneden te klimmen. De andere bemanningsleden hebben ongelovig staan schamperen. Wat een gek, om zijn leven te wagen voor een suffe vogel. De valk lijkt eerst half bewusteloos op het dek te blijven zitten. Dan richt hij zich op, slaat de vleugels uit en verdwijnt aan de horizon.
Jaren later raakt de jongen in het hoge noorden van Lapland verwikkeld in een gevecht. Hij doodt zijn tegenstander en slaat op de vlucht. Een geheimzinnige Samivrouw verbergt hem in haar hut. Haar gezicht is zwart van roet en vuil, haar ogen zijn geel. Ze spreekt in raadselen, maar belooft hem te helpen 'zoals jij mij ooit hielp'.
???
Samivrouwen zijn soms in het bezit van wonderbare krachten. Ja, zij was destijds die jachtvalk.
'Jij was er voor mij - nu ben ik er voor jou'. De cirkel is rond, de kring gesloten, de eeuwige wederkeer van het lot en van zee, wind en wolken - de geestelijke ruimte vanwaar uit Karen Blixen haar verhalen schreef.

Mijn vader trok, een jaar na de oorlog, naar Kopenhagen om een groepje studentes te bedanken voor het aardige voedselpakket dat ze aan hun Nederlandse medestudenten hadden gestuurd. Hij ontmoette mijn moeder en werd verliefd op haar, op haar familie en op haar land. Zijn assistentschappen - hij studeerde medicijnen - deed hij gedeeltelijk in het Brønderslev Kommune Sygehus. Op vijftien juni 1951 trouwden ze, in de dorpskerk van Varde.
Op het strand van Henne en in de tuin van de schoonouders gebeurde er iets met hem, met zijn kampsyndroom, opgelopen na drie jaar in Japanse kampen op Java. Hij kon weer eten, praten, lachen. Graatmager en met een brede grijns staat hij op de vele foto's uit die tijd. Ergens in de tweede helft van juni 1951 ben ik verwekt, in een van de zonnige, stoffige slaapkamers van het huis aan zee of het grote dorpshuis uit 1898. Daarna begon hij aan zijn laatste assistentschappen. Ik ben net niet in Brønderslev geboren. Zes weken voor de bevalling verhuisde het paar naar Amsterdam. Mijn moeder leverde haar Deense paspoort in en kreeg er een Nederlands voor terug.

Eeuwige wederkeer van zee, wind en wolken. Zal ik teruggaan? Het kan nu. Terug naar Nordjylland, naar het wijde natuurgebied van Thy dat inmiddels 'Nationalpark' is geworden, 'fredet' -  beschermd gebied. Waar in het voorjaar de kraanvogels dansen en de duinmeren glanzen in de ondergaande zon. En terug naar de wonderlijke zomermaanden van vroeger. De hele dag waren we buiten. 's Avonds luisterde ik naar het knetteren en knappen van de zoute planken die langzaam opbrandden in de schouw.
Naar de besneeuwde velden rond Kerstmis - Julen. Naar de zuivere, heldere lucht en de wind, 'den Jyske blæst' die alle muizenissen, tot en met de nachtmerries over andersmans kampsyndroom, gewoon wegblaast...



woensdag 5 maart 2014

NK

De tweede week in Kopenhagen logeer ik op vijf hoog in een leegstaand kamertje van vrienden. Het adres is fantastisch: een blok uit de dertiger jaren, op de hoek van H.C. Ørstedsvej en Danasvej, vijf minuten lopen van de langgerekte meren die de grens vormen met het oude centrum.
Op de zolderkamer naast mij woont NK. Ze heet Nina Kristine, maar dat is te lang en iedereen noemt haar NK. We komen elkaar tegen in het minuscule keukentje. Daar schijnt 's ochtends de zon en zit NK achter haar laptop aan een masterscriptie te werken. Een klein raam kijkt uit op minstens twintig schoorstenen; in de verte rijzen de kerktorens van het oude København op.

Natuurlijk raken we in gesprek. De masterscriptie gaat over een lang gedicht van Inger Christensen, wiskundelerares uit Vejle, baanbreekster van het modernisme in de Deense poëzie. Ik vind haar werk moeilijk maar NK legt me uit hoe ik het moet lezen. Organisch is het, haar woorden zijn als cellen die zich vermeerderen, uit elkaar groeien. Of het zijn woorden als kristallen, die zich in de vrieskou tot een kantwerk vormen op een ruit. Terwijl ik wacht tot het water kookt dat ik op mijn poederkoffie ga schenken staar ik uit het raam en bedenk hoe het vensterglas eruit zou zien met ijskristallen in ranke, onnavolgbare patronen. Ze zijn uit de tijd, die kunstwerkjes, want overal is cv en kamers worden hier flink heet gestookt.

De andere kant van het blok ligt op het noorden en kijkt uit op de drukke H.C. Ørstedsvej. Genoemd naar een beroemd natuurkundige. Zou hij wel eens verwonderd naar ijskristallen hebben gekeken? Hij leefde ongeveer tegelijk met Georg Brandes, aan het eind van de 19e eeuw. Er was nog geen cv en niet alle kamers waren 's winters vorstvrij. Maar København had zich bevrijd. De stad was na honderden jaren opgesloten te zijn geweest binnen nauwe wallen uitgebroken, over de meren heen gegroeid, om langzamerhand samen te vallen met Frederiksberg - de wijk waar we ons nu bevinden. Iedere dag wandel ik over de bruggen naar de binnenstad. Langs Peblingesø, Sortedamssø - met hun 'dossering' - de oever aan de buitenkant, waar ooit dames in lange, hooggesloten kleding een eindje gingen lopen in de hoop een bekende tegen te komen.

Inger Christensen was helemaal geen stadsmens. Ze hield van de natuur en debuteerde met heel toegankelijke poëzie, haar eerste bundels heten 'Lys' (Licht) en 'Græs' (Gras). Uit 'Lys' stamt dit gedicht:

Læner mig ømt mod natten

Læner mig ømt mod natten,
ved hjælp af et rustent gelænder,
finder jeg frem til min kind og min skulder,
finder jeg frem til min ømhed:
jern og kød.
                   Rester er faner
tyst blafrende, spørgende ude og inde
i nattens rum, i sindets rum:
                                     død?
lægger min hånd over nattens
skælvende ansigt,
piller lidt rust af min kind.


Teder leun ik tegen de nacht aan

Teder leun ik tegen de nacht aan,
met behulp van een roestige leuning,
vind ik de weg naar mijn kin en mijn schouder,
vind ik de weg naar mijn tederheid:
ijzer en vlees.
                   De rest is vaandels
rustig wapperend, vragend, buiten en binnen
de nachtelijke ruimte, ruimte van het gemoed
                                                                dood?
leg mijn hand over het bevend
gezicht van de nacht
pluk wat roest van mijn kin.

('ømhed' betekent zowel 'tederheid' als 'gevoeligheid' en 'pijnlijkheid' - ze speelt met die betekenissen in de tegenstelling van huid en roestig ijzer - maar dat is onvertaalbaar...)